donderdag 22 juni 2017

17 juni 1217 - Compostella en de gewapende bedevaart

Ik noem de Friese kruisvaarders eigenlijk steeds 'pelgrims'. Dat is omdat zij zichzelf ook zo noemen. In Compostella zien wij waarom:

Nadat we de schepen in veiligheid hadden gebracht, gingen we de volgende dag (17 juni) op weg naar Compostella, dat we na een zeer inspannende tocht, die een dag en een nacht achtereen duurde, bereikten. We keerden vandaar weer terug na offers gebracht te hebben aan God en aan de heilige apostel.

Gelijk na aankomst in A Coruña gaan de kruisvaarders in grote haast naar het graf van de apostel Jacobus in Compostella. In een dag en een nacht lopen de pelgrims zestig kilometer! Ik zie voor mij hoe ze in een lange stoet en zowat in gestrekte draf door een dor en desolaat Spaans landschap trekken. En waarom? Waarschijnlijk omdat ze op tijd willen zijn voor de zondagochtendmis.

Compostella is voor de pelgrims niet zómaar een bedevaartsoord. Het is één van de drie heiligste bedevaartsplaatsen die zij kennen. Hier raken Hemel en aarde elkaar op ongekende wijze. Hier kom je direct in contact met Gods heiligheid. De andere twee plekken zijn Rome en Jeruzalem. En als alles goed gaat, zullen de pelgrims ze tijdens deze reis alle drie bezoeken.

In de kruistochtprediking en -propaganda komt het aspect van de pelgrimage ook steeds naar voren. Mensen worden opgeroepen om op Kruistocht te gaan, omdat de Saracenen christelijk gebied veroverd hebben en omdat zij pelgrims geen vrije en veilige doortocht meer geven naar Jeruzalem. Het fenomeen Kruistocht is niermee natuurlijk niet in één keer verklaard en zéker niet gerechtvaardigd. Er speelt veel meer. Maar het laat ons wel begrijpen waarom de Friezen, op weg naar het Heilige Land zonder ogenschijnlijke noodzaak zo'n uitputtende mars naar Compostella ondernemen. 

Wíj zien de kruistochten als een van de meest tragische en misplaatste fouten van het Westers Christendom. Maar voor de Friese pelgrims gaat het in de eerste plaats om een bedevaart. En dat daarbij gevochten moet worden, is alleen maar een buitenkans. Niet alleen zullen de pelgrims nu in contact komen met de heiligste plekken op aarde; ze mogen zelfs deelnemen aan de uitvoering van Gods heilsplan.

(Sint Jacobus, gekleed als pelgrim in de Martinikerk te Franeker.)



maandag 19 juni 2017

11/16 juni 1217 - A Coruña

Nu wij Jelmer, de hoofdpersoon van het verhaal hebben leren kennen, hervatten we de achtervolging. De pelgrims zijn op weg naar A Coruña en daar zullen wij hen over een paar dagen bijhalen:

We verlieten de haven van Sint-Mattheüs en hesen onze zeilen voor de Noordenwind, die met al zijn verwanten een geschikte metgezel is voor degenen die op weg zijn naar Lissabon. Onder een gunstige maar wel wat matige wind kwamen we de volgende vrijdag (16 juni) in de buurt van Fare (A Coruña), een vrij welvarende stad in Galicië, die een beschutte haven heeft, herkenbaar aan een hoge toren die door Julius Caesar is gebouwd.

Dat de vloot recht door de Golf van Biskaje vaart, lijkt op het eerste gezicht logisch, maar dat is het niet per se. Een kleine dertig jaar eerder, varen Kruisvaardersvloten uit het noorden nog veilig langs de Franse kust naar Spanje. Een kogge van zo'n vijfentwintig meter lang, met een even zo hoge mast, is in een storm immers een gemakkelijke prooi voor wind en golven. Volgens 13e eeuwse reisgidsen kan de overtocht in drie dagen voltooid worden, maar nu de wind het laat afweten, dobberen de pelgrims twee dagen langer op open zee; twee dagen waarin de watervoorraad slinkt en het weer om kan slaan..
 
Dan eindelijk op de vijfde dag, doemt de Spaanse kust op en kan de vloot veilig voor anker gaan in de haven van A Coruña. Op het moment dat de Friezen A Coruña bezoeken, maakt de stad juist een periode van sterke economische groei door en zoals we lezen, blijft dit niet onopgemerkt. In 1208 heeft koning Alfons IX de stad 'hersticht' en een aantal belastingvrijstellingen gegeven. In korte tijd groeit de stad hierdoor uit tot een belangrijk centrum van handel en visserij. In de haven is het een drukte van belang en in de stad is de bedrijvigheid al niet minder. 

De bewoners van A Coruña weten dat geld moet rollen en zijn druk bezig met het verfraaien van hun stad. Het meest in het oog springt daarbij de kerk van de Heilige Jacobus aan de Calle de Parrote. De afgelopen jaren is flink aan deze kerk verbouwd en over iets meer dan een maand zal het nieuwe voorportaal gewijd worden. 

In de late namiddag van vrijdag 16 juni kunnen de pelgrims na al die tijd op zee nog even wat passagieren. En misschien leggen werklieden wel juist de laatste hand aan het portaal van de Jakobskerk, terwijl de Friese pelgrims er langs wandelen.

(Het voorportaal van de Iglesia de Santiage met in het midden Sint Jacobus te paard.)

zaterdag 17 juni 2017

Kennismaking met Jelmer

De vloot laat Pointe Saint-Mathieu achter zich en steekt de Golf van Biskaje over. Eén Friese pelgrim in het bijzonder zal vanwege zijn eigen ervaring met hosties nog herhaaldelijk terugdenken aan de schipbreuk en het wonder dat achter hen ligt. Ik noem hem Jelmer en zijn verhaal wordt verteld door Caesarius van Heisterbach in de Dialogus Miraculorum
 
Er leefde in dat gebied een Fries, kampvechter van beroep, die telkens wanneer hij uit de taveerne dronken naar huis ging zijn vrouw op slagen en allerlei pesterijen onthaalde. Op een keer hield zij zich uit vrees voor haar man ziek, en opdat men niet zou merken dat ze simuleerde, liet ze om het Lichaam des Heren vragen. Bij de komst van de priester liep de kampvechter met een kroes bier in de hand beschonken op hem toe en drong aan op een dronk. De priester antwoordde: 'Ik draag het Lichaam des Heren, ik mag nu niet drinken'. De Fries ontstak in woede en sloeg met zijn kroes tegen de pyxis. Alle hosties vlogen eruit en kwamen verspreid op de stenen terecht. Maar de vrouwen die daar bijeen waren om troost te geven, zagen op elk van de hosties iets als een stralende ster. Jammerend en boos verzamelde de priester ze weer in de pyxis en ging weg.
De Fries werd door de landdeken van de streek gedagvaard en geëxcommuniceerd, maar hij maakte zich daar niet druk om. Ten lange leste werd hij gedwongen om, nadat hij voor deze ernstige heiligschennis het kruis had aangenomen, met de voornoemde priester, die hetzelfde had gedaan, naar Rome te gaan. Hij biechtte zijn zonden aan paus Honorius, die hem als boetedoening oplegde naar overzee (het Heilige Land) te gaan en daar drie jaar gewapend Christus te dienen. Om kort te gaan: Allebei gingen ze overzee, en allebei vonden ze voor Damiate de dood.

Hiermee is het verhaal nog niet ten einde, want Caesarius vertelt ook hoe Friesland na de dood van de kampvechter getroffen wordt door een grote overstroming. Vervolgens laat Maria in een visioen weten dat dit de schuld is van de kampvechter. Voor zijn dood heeft hij namelijk geen berouw getoond voor zijn zonden. Ceasarius merkt nog wel op dat er een getuige is die beweert dat de kampvechter voor vertrek wel degelijk alle uiterlijke tekenen van berouw vertoonde. Maar toch hecht hij uiteindelijk meer geloof aan de verklaring van de heilige Moeder Gods. 

Dit aangrijpende verhaal geeft een prachtige inkijk in sfeer die de Vijfde Kruistocht omgeeft. De geestelijke wereld is een realiteit. Gods heiligheid en zijn toorn liggen dicht bij elkaar. En een individu kan een verpletterend zware Hemelse last op zijn schouders te dragen krijgen. Stel je voor! Met één zonde stort deze kampvechter een heel volk in het ongeluk.

Bij het schrijven van mijn scenario is dit verhaal één van mijn uitgangspunten geweest. Zoals gezegd, heet mijn hoofdpersoon Jelmer en hij vertoont enige gelijkenis met de kampvechter van Caesarius: 

Jelmer is een hoofdeling uit Bedum. Zijn karakter is diep geworteld in de Friese vete-cultuur. Hij geeft met harde hand leiding aan een groep stoere strijders. Zijn status als krijgsheer stort in wanneer hij in een dronken bui een priester mishandelt. Hij wordt geëxcommuniceerd en zijn vrouw verlaat hem. In de Kruistocht ziet Jelmer een kans om boete te doen voor zijn zonden. Dat de rest van de kruisvaarders zich minder bekommert om de heiligheid van de onderneming, grijpt Jelmer diep aan.

Met deze Jelmer trek ik nu al jaren op. Bij het schrijven van het scenario heb ik hem door en door leren kennen. Soms had ik een scène bedacht, maar dan liep de boel ineens vast. Dan lukte het mij niet om Jelmer de juiste dingen te laten zeggen of doen, om het verhaal rond te krijgen. Uiteindelijk bleek dan vaak dat ik niet voldoende rekening had gehouden met Jelmers karakter en zijn kijk op de dingen. Pas als ik daar dan bij stil stond, kwam het verhaal weer op gang; vaak heel anders dan ik eerst bedacht had.

En het gekke was, ik kende Jelmer wel van binnen, maar nog niet van buiten. Pas vorige week heb ik hem voor het eerst recht in de ogen gekeken. Roelof Wijtsma maakte een schets van Jelmer en ik wist gelijk dat dit de man is, met wie ik al die tijd heb op gereisd.

(Jelmer van Bedum. Getekend door Roelof Wijtsma)

vrijdag 16 juni 2017

5/11 juni 1217 - Boete bij het hoofd van Mattheus

Lang niet alles wat onderweg gebeurt wordt gelijk duidelijk uit het verslag van onze anonieme pelgrim. Vaak moet je tussen de regels doorlezen of extra bronnen raadplegen. Zo is wat er bij de abdij van Saint Mathieu gebeurt alleen te begrijpen als je weet welk wonder juist heeft plaatsgevonden:

Wij gingen pas de volgende dag (5 juni) met de graaf van Holland op weg naar Bretagne en bereikten op woensdag (7 juni) de haven van Sint-Mattheüs, waar voor de tweede maal de verordeningen werden voorgelezen en het gehele leger zich verplichtte de wetten te onderhouden.
De zondag daarna (11 juni) werd de leiding omgewisseld: de graaf van Holland kreeg het gezag over de voorhoede, de maarschalk van Keulen dat over de achterhoede.

Het wonder met de drijvende hostie maakt diepe indruk op de pelgrims. God zelf heeft nu laten zien dat het hem menens is. De Kruistocht is een heilige onderneming en iedereen die daar lichtzinnig over denkt zal zwaar gestraft worden. Daarom gaat de hele vloot voor anker in de haven van Saint Mathieu. Vanaf een smal strandje klimt het leger over een in de rotsen uitgehouwen trap omhoog naar de abdij bovenop de rotspunt. Daar zal in het open veld en op Oudtestamentische wijze boete gedaan worden. De zonde van één man heeft het hele leger getroffen en dus moet ook iedereen boete doen. 

Per schip verzamelen de pelgrims zich rond hun priester. Er wordt gebiecht en nadat vergeving ontvangen is neemt iedereen deel aan de mis en legt iedereen opnieuw een eed van gehoorzaamheid af. Voor graaf Georg heeft het ongeluk nog extra gevolgen. Omdat de ongehoorzame priester in zijn gevolg meevoer, raakt hij het bevel over de voorhoede kwijt. Vanaf nu zal Willen als opperbevelhebber de vloot aanvoeren en de achterhoede komt onder bevel van de Keulse maarschalk Herman van Alfter. 
 
Hiermee is de geestelijke orde hersteld. Gods zegen kan weer op de expeditie rusten en de pelgrims kunnen weer als eedgenootschap hun goddelijke taak uitvoeren. Toch vaart de vloot niet gelijk uit. Mogelijk is de wind ongunstig. Er zal extra water ingeslagen worden en de pelgrims bezoeken de Benedictijner abdij waar het hoofd van de Evangelist Mattheus als reliek bewaard wordt.

Pas op zondag 11 juni vaart de vloot weer uit. De koggen laten het land achter zich en varen de volle zee op, dwars door de Golf van Biskaje richting A Coruña, waar de relieken van een volgende apostel op de pelgrims wacht.

(Pointe Saint-Mathieu met de ruïne van de Benedictijner abdij.)

woensdag 14 juni 2017

4 juni 1217 - Een clandestiene hostie

Nu alles goed geregeld is, kunnen de pelgrims weer vertrekken uit Dartmouth. Iedereen kent nu de regels en ook de bevelvoering is goed geregeld. Maar dan gaat het mis..

Hoewel de lucht op zondag (4 juni) enigszins verstoord was vanwege de bij zeelieden altijd verdachte nieuwe-maan-dagen, koos de graaf van Wied zee onder een gunstige wind met vele schepen. Ze kregen echter tegenwind en werden door mist en regen uiteengeslagen; één schip liep op de klippen van Bretagne; de opvarenden werden gered, maar het schip verging en de lading ging verloren.

Op het eerste gezicht lijkt de graaf van Wied eenvoudigweg een inschattingsfout te maken, wanneer hij met de voorhoede uit vaart. Maar er blijkt meer aan de hand. Niet alleen de tegenwind en de plotselinge mist zijn het probleem. Op het noodlottige schip bevindt zich een priester die een goddelijke straf over zichzelf en zijn reisgenoten afroept. Caesarius van Heisterbach beschrijft deze geschiedenis als volgt in zijn Dialogus miraculorum:

Toen bij die laatste, grote expeditie de schepen die zich uit alle delen van Duitsland verzameld hadden in zee staken. werd aan de priesters om verschillende redenen voorgeschreven dat op geen van de schepen het Lichaam des Heren (hosties) mocht worden bewaard. Alle schepen gehoorzaamden de verordeningen behalve één enkel schip van de Friezen, dat heel snel voor deze ongehoorzaamheid moest boeten. Want door Gods oordeel leed het schipbreuk, en de pyxis die het Lichaam des Heren bewaarde, kwam samen met al het andere dat zich op het schip bevond in het water terecht. De mensen werden door de te hulp gekomen andere schepen gered. En kijk, in de verte zagen ze de pyxis in zee drijven en zich met zo'n snelheid naar de schepen toe bewegen dat ze wel leek te zeilen. Toen ze door een van de schepen was opgevist, kon men aan haar nog een tweede wonder aanschouwen. Al stond het deksel wijd open, want die was niet met een band om de sluiting bevestigd, toch was er bij al die stormachtige golven geen druppel water binnengekomen. 
Deken Hermannus van St. Gereon in Keulen, die erbij was en het zag, pleegt dit als een groot wonder te vertellen. 
  
Dit wonder zal op iedereen diepe indruk gemaakt hebben. In de 13e eeuw viert de verering van het Lichaam des Heren hoogtij. De ontheiliging van een hostie is een grote zonde die in menig wonderverhaal ernstig bestraft wordt. Bijvoorbeeld het per ongeluk laten vallen van een hostie is al voldoende om overstromingen te veroorzaken. Om deze reden mogen er ook geen gewijde hosties aan boord zijn. Het zou immers verschrikkelijk zijn, wanneer één van deze heilige stukken brood in zee zou vallen, of -erger nog- door een zeezieke communicant uitgekotst zou worden.
Eén pelgrim die zich het verhaal van de drijvende hostie extra aantrekt, is Jelmer. Maar voor ik zijn verhaal vertel, zal ik morgen eerst vertellen hoe de rest van de vloot op het wonder reageerde.

(Een 13e eeuwse Franse pyxis)

dinsdag 13 juni 2017

2 en 3 juni 1217 - De Kruisvaarderswet

De Friese pelgrims zijn uitgevaren. Vanaf de Lauwers varen zij tussen Ameland en Schiermonnikoog door richting de Noordzee. Op de derde dag zien zij Engeland liggen. Ik ben in de achtervolging:

We hielden het (Engeland) in het zicht aan onze rechterhand en bereikten een eiland dat Wight genoemd wordt; het is weliswaar bij hoge zee van Engeland gescheiden, maar het is wel gehoorzaamheid aan Engeland verschuldigd.
De volgende dag, een zaterdag (3 juni), kwamen wij in Dartmouth aan, waar de haven, die gelegen is tussen twee hoge bergen, ons in haar beschutting opnam. Wij troffen daar de graaf van Holland en de graaf van Wied aan, die met vele edelen op 212 schepen waren aangekomen. Nadat daar in verstandig overleg de regels die in het leger zouden gelden, waren afgesproken, en ook alles betreffende het zielenheil en de vrede ordelijk was geregeld, werd de graaf van Wied tot bevelhebber over de voorhoede van de totale vloot gekozen; de leiding van de achterhoede werd opgedragen aan de graaf van Holland, die door het hele leger reeds tot opperbevelhebber was  gekozen.

Net als in 1147 tijdens de Tweede Kruistocht, verzamelen de Noord-Europese kruisvaarders zich in Dartmouth. Van daar zullen de Friezen, Hollanders, Rijnlanders en Engelsen gezamenlijk optrekken. Daarom krijgt de vloot een opperbevelhebber; graaf Willem I van Holland. Dit mag best opmerkelijk heten, want kort daarvoor is Willem nog door de paus geëxcommuniceerd vanwege zijn steun aan de Fransen in een conflict met de Engelse koning. Hieruit blijkt maar hoe belangrijk men een Kruistocht vindt. Wereldse geschillen worden bijgelegd en kerkelijke straffen worden opgeheven, zodat zo veel mogelijk edelen op Kruistocht te kunnen gaan.
Tijdens de rest van de expeditie wordt nauwelijks meer iets van Willen vernomen. Hij heeft zich tijdens de Kruistocht niet echt weten te onderscheiden. 

Ook wordt in Dartmouth een aantal regels van kracht om de orde op de schepen te handhaven. Onze anonieme pelgrim vertelt niet welke regels dit zijn, maar ze zullen niet veel verschild hebben van verordeningen uit 1147 en 1190:
 
-Ieder schip is als een parochie.
-Op ieder schip moet een priester meevaren. 
-Pelgrims moeten wekelijks biechten  en op zondag naar de mis gaan.
-Pelgrims mogen geen dure of opzichtige kleding dragen. 
-Wie een mede pelgrim doodt, wordt aan het lijk gebonden en overboord gegooid.
-Wie een pelgrim verwondt wordt een hand afgekapt 
-Wie een ander slaat, wordt driemaal in zee ondergedompeld. 
-Vloeken en schelden wordt beboet.
-Dieven worden met pek en veren overdekt en zo snel mogelijk aan land gezet.
-Heren mogen geen manschappen van een ander in dienst nemen.
-Eventuele buit wordt verdeeld over alle pelgrims.

Uit deze regels blijkt wel dat de onderneming bepaald geen plezierreisje is. Het is een vrome en ernstige aangelegenheid. En dat ook God er zo over denkt, zal morgen blijken wanneer de vloot weer uitvaart..

(Dartmouth in de eerste helft van de 16e eeuw)




maandag 12 juni 2017

31 mei 1217 - Vertrek

Woensdag 31 mei jongstleden had ik 's ochtends een netwerkgesprek met iemand die ik via via leerde kennen. En 's middags heb ik bij mijn zoontje op school geholpen bij handvaardigheid. Wat ik verder die dag gedaan heb, weet ik niet meer. Zo is een bijzondere dag onopgemerkt voorbij gegaan:

In het jaar 1217 na de vleeswording van de Here, in het tweede jaar van het pontificaat van heer paus Honorius, op de laatste dag van de maand mei, verlieten wij de geliefde velden van ons geboorteland en wij wijdden de eerstelingen van onze pelgrimstocht aan Hem die, toen Hij naar het buitenland vertrok, zijn goederen uitdeelde om ze eens met rente terug te vragen (Matt 25:14-28). Nadat wij via de monding van de rivier de Lauwers in volle zee gekomen waren, zagen wij, naar onze wens geholpen door gunstige winden, op de derde dag Engeland liggen.

Zo beschrijft de onbekende pelgrim uit de kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum het vertrek van de ruim 80 koggen, nu 800 jaar geleden. En ik heb er niet bij stilgestaan! Jaren heb ik naar dit moment uitgekeken. Iedere keer als ik langs Zoutkamp, Dokkumer Nieuwe Zijlen of Lauwersoog kwam, stelde ik mij voor hoe daar de verzamelde vloot lag. En stiekem heb ik denk ik gehoopt, dat ik de schepen na precies acht eeuwen misschien heel even in het echt zou kunnen zien varen, als ik er op het juiste moment zou zijn. Maar ik heb mijn kans gemist.

Wat ik wel heb, is een scenario dat af is. En als ik dat lees, kan ik het vertrek net zo vaak herbeleven als ik zelf wil:

Terwijl de schepen in de achtergrond klaar liggen, leest een priester de laatste mis. De pelgrims en hun aanhang zitten geknield. Jelmer en zijn vrouw ook:



Commentaar:          -Woensdag 31 mei 1217



Jelmer voice over:   -En na drie jaar was het eindelijk zo ver.



Priester:            -Benedicat tibi Dominus et custodiat te..



De vloot van zo’n 80 schepen vaart uit. Ze worden begeleid door kleine scheepjes. Het is een enorm gekrioel. (Vanaf het water gezien) Een vrouw roept haar geliefde vanaf een klein bootje nog iets toe:



Jelmer voice over:   -Uit heel Frisia waren de pelgrims met schepen naar de Lauwers gekomen.



Vrouw:               -Doe je voorzichtig..



Man:                 -Geen zorgen!



De vloot vaart verder weg, uitgezwaaid door familie en vrienden aan de kant en vanuit de bootjes. De man roept nog iets na:



Jelmer voice over:   -We voeren boven de eilanden langs en passeerden de Hollandse kust..



Man:                 -..volgend jaar in Jeruzalem!

(14e eeuwse miniatuur van Kruisvaarders die scheep gaan)